Er zijn of niet zijn: een uitdaging voor schoolleiders (gastblog door Leezan van Wijk)

Onderwijs en leiderschap, Onderwijs management

Er zijn of niet zijn, is dat de vraag?

Wanneer is er nog verwachtingsvol naar jouw komst uitgekeken? Kun jij je de laatste keer nog herinneren dat je ergens met open armen werd ontvangen? Dat mensen jou met tranen in hun ogen aankeken alleen al om het simpele feit dat je er was?

Volwassenen kunnen zich zelden iets herinneren van hun eerste levensjaren, een verschijnsel dat ‘infantiele amnesie’ wordt genoemd. We moeten het dus vooral hebben van foto’s en anekdotes uit onze babytijd. Het meest gedenkwaardige moment uit ons leven bestaat niet uit een of andere heldhaftige actie zoals bijvoorbeeld het moment dat je je diploma van de master integraal leiderschap in handen krijgt noch uit het moment dat je je formatie rond hebt gekregen en zelfs niet het ogenblijk dat je met je school bovenaan de Dronkers-lijst prijkt. Nee, niets van dat alles. Het meest gedenkwaardige moment uit ons leven is het moment dat er verwachtingsvol naar ons werd uitgekeken, dat we met open armen werden ontvangen en het moment dat mensen ons met tranen in de ogen aankeken. En daar hebben we niks meer of minder voor moeten doen dan geboren worden, er eindelijk zijn. Het is waarschijnlijk de ironie van het leven dat het belangrijkste moment ook meteen het moment is dat totaal aan onszelf voorbij is gegaan.

Er zijn. En dat dat blijkbaar al gedenkwaardig genoeg is. Hamlet had nogal wat moeite om een juiste levensinvulling te vinden, na de moord op zijn vader werd hij geteisterd door de twijfel om wel of geen actie te ondernemen in zijn leven, zo erg dat de dood voor hem een reële optie was: ‘zijn of niet zijn, dat is de kwestie: of het nobeler is om te lijden onder alles wat het wrede Lot je toeslingert of om de wapens op te nemen tegen een zee van zorgen en er al vechtend een einde aan te maken?’ Nee, dan het marketingteam van het chocolademerk Merci, die hebben de zijns-vraag mijns inziens goed begrepen, al sinds de jaren ’90 dringt de volgende zoetsappige tune door onze huiskamers: ‘jij bent het lichtste puntje aan mijn horizon, jij bent de kleurenpracht op mijn grijze dag, je bent de zonnestraal in mijn wintertijd, merci dat jij er bent.’ In het reclamefilmpje zelf gebeurt er niet zoveel, je ziet mensen elkaar aankijken, met open armen op elkaar aflopen en huilend in de armen vallen. Einde.

De afgelopen periode kon ik me meer identificeren met het vraagstuk van Hamlet dan met de tune van Merci: op de eerste dag op mijn nieuwe werkplek zit ik in de aula naast collega X, als nieuwjaarscadeau is er een muziektheatervoorstelling door de directie geregeld, het is een interactief programma dat gaat over ‘werkdruk’ en op een gegeven moment krijgen wij als publiek de opdracht om aan onze buurman/-vrouw te vertellen wat we ’s nachts in bed aan hebben, inderdaad, om aan onze buurman/-vrouw te vertellen wat we ’s nachts in bed aanhebben. Collega X heeft er zin in en vertelt mij onomwonden dat hij ’s nachts naakt slaapt, hij kijkt mij verwachtingsvol aan. Drie uur later staat Collega Y aan mijn bureau, hij wilt het met mij graag over zijn studie hebben, de lerarenbeurs loopt dit schooljaar af en hij is nog laaaaang niet klaar, hij staat op de transferlijst, hij geeft toe het allemaal niet zo handig te hebben aangepakt het afgelopen jaar, zat vaak achter de playstation, zijn kinderen of zijn vrouw aan. Of er misschien toch nog iets geregeld kan worden? Ik meen vocht in zijn ogen te zien als hij mij aankijkt. Na twee weken kennismakingsgesprekken gevoerd te hebben, ken ik de slogan van mijn nieuwe onderkomen al uit mijn hoofd: ‘School Z, een organisatie met te veel, onduidelijke, nutteloze en beperkende regels’. Ik vraag me af hoe open de armen zijn waarmee ik ontvangen ben.

Het roept bij mij een dieperliggende vraag op, namelijk wat er niet alleen van mij, maar wat er überhaupt van ons als schoolleiders wordt verwacht? En, niet onbelangrijk, wat mogen we daarin van onszelf verwachten? Er is een steeds groter wordend scala aan mogelijkheden dat wordt geschetst, voorwaarden die worden gesteld en eisen die hard worden gemaakt als het om goed onderwijs gaat. Maar zijn deze verwachtingen, voorwaarden en eisen wel zo reëel? Of wordt het tijd om in te gaan zien dat onze cirkel van invloed maar heeeeel erg beperkt is.

Laten we even eerlijk zijn tegen elkaar: kampen wij als schoolleiders niet met twee grote problemen: a) we overschatten onze eigen capaciteiten en b) we overschatten onze invloed. Het is makkelijk om iets te doen, maar het is verdomd moeilijk om het goed uit te voeren. Nietwaar?

Zijn of niet zijn? Wat als ik niet kies voor de twijfel die Hamlet in een soort niemandsland hield maar als ik nu eens volop ga voor de boodschap van Merci: wat moet ik doen om dat zoetsappige gevoel tot uiting te brengen? Ik denk eerlijk gezegd dat het niet zoveel uitmaakt wat ik doe. Maar goed, stel dat het wel uitmaakt, dan hebben we nog het gegeven dat er evenveel aanpakken als mensen zijn. In onderwijsland wordt de oplossing momenteel gezocht in een identieke werkwijze voor ons allemaal, maar in die werkwijze zit onze authenticiteit als professional, en juist dat willen we met z’n allen in een keurslijf stoppen zoals gedifferentieerd lesgeven, de vijf rollen van de docent, gepersonaliseerd leren, digitaal onderwijs, etc. … . Er is –mijns inziens- een grote mythe die op dit moment rondzingt in onze sector: ‘er is een eenduidige aanpak die de complexiteit van het onderwijs beheersbaar maakt’.

Nogmaals, ik denk dat het niet zoveel uitmaakt wat we doen. De verbinding zit immers niet in het doen maar in het zijn. En het zijn doet niet aan het afvinken van acties, hoe heldhaftig ze ook zijn, het zijn stelt kritische vragen: over ons zelfbeeld, onze normen en waarden, onze eigenschappen, onze overtuigingen en onze motieven. De dialoog daarover echt aangaan met elkaar is niet voldoende, het is op dit moment meer dan genoeg.

In de reclame van Merci zie ik geen collega X naakt door zijn slaapkamer dansen noch komt Jet Bussemaker zwaaiend met de regeldrukagenda bij Pauw & Witteman aan tafel zitten en zelfs collega Y die met het zweet op zijn voorhoofd achter zijn playstation zit, haalt de selectie van Merci-momenten niet.

Er zijn of niet zijn. Dat is niet alleen de vraag, dat is de uitdaging.

Merci.

Leezan van Wijk

Advertenties

Easy does it…

Techniek en onderwijs

“Gebruik jij veel nieuwe media in je les?” “Eh, neuj, ja… weet je, het is zo’n gedoe!” “ Ja, het moet tegenwoordig allemaal maar leuk zijn! Ik doe daar niet aan mee hoor, ik wil op de inhoud zitten.” Zomaar een gedeelte van een gesprek dat ik onlangs opving op een middelbare school. Ik schrik niet (meer) van dit soort opmerkingen en ik kan vaak best een eind in de gedachtegang meegaan. Helaas is het zo dat ik denk dat het gesprek niet de goede richting opgaat. Ik wil bijna iets zeggen…maar dat doe ik natuurlijk niet. Ik ben tenslotte geen gesprekspartner in dit gesprek.

Het onderwerp bespreek ik gelukkig wel vaak in andere contexten of op momenten dat ik wel onderdeel van de discussie ben. Alledrie de uitlatingen roepen veel bij mij op. Om bij de eerste te beginnen… “Gebruik jij veel nieuwe media in je les?” Wat is veel? Volgens mij zou je jezelf moeten afvragen of je tools en ict in kunt zetten om nog meer uit je lessen te halen, om meer leeropbrengst en betere leeruitkomsten te bewerkstelligen. En of je dat doet door eens per week met een handige app of toepassing te werken of dat je elke les opbouwt met goed gekozen tools maakt niet zoveel uit. Belangrijk is om te kijken naar wat het inzetten van ict gaat opleveren. Het antwoord, vervolgens: “Eh, neuj, ja… weet je, het is zo’n gedoe!”. Ook dit roept direct reactie op. Wat bedoel je met gedoe? Waarom is het gedoe? En belangrijker, het moet denk ik vooral geen gedoe zijn. Het voordeel van onze technologische samenleving is juist dat ict ons leven makkelijker moet maken, onze lessen efficiënter en het leren leuker! Als het voelt als gedoe is er iets mis. Daarnaast denken veel docenten die starten met het gebruik van tools dat het vooral ingewikkeld is en daarnaast heel veel tijd kost. Dit is echter helemaal niet het geval. Techniek en zeker apps en toepassingen voor gebruik in de klas, worden ontwikkeld op intuïtief gebruik: het moet vooral heel vanzelfsprekend gebruikt kunnen worden, tijdwinst opleveren en niet afleiden van de inhoud en de gewenste uitkomst. Er zijn inmiddels veel tools die je in de voorbereiding hooguit een paar minuten kosten om klaar te zetten. Vervolgens leveren deze toepassingen binnen je les veel tijdwinst, informatie en structuur. Denk maar eens aan een brainstorm sessie met Padlet, een digitale hulplijn bij zelfstandig werken en groepswerk in de vorm van Lino of een voorkennis activerende activiteit met behulp van AnswerGarden. Deze drie tools kosten je vrijwel geen tijd om in te richten voorafgaand aan je les en zijn soms ook nog her te gebruiken ook. Waar het, wederom, om gaat is dat je nadenkt over wat er uit de brainstorm moet komen, welk soort vragen en welke wijze van samenwerken je wilt zien met gebruik van de Lino en welke vraag je stelt met Answergarden. Met andere woorden, het gaat om het nadenken over je lesontwerp en je gewenste leeruitkomsten. De techniek is slechts ondersteunend. Houd het vooral simpel, dat is echt prima.

De laatste opmerking die ik opving van het gesprek hoor ik veel vaker en niet alleen bij de inzet van nieuwe media, ook bij discussies over activerende didactiek, methode keuzes, projecten en veel andere onderwijsinhoudelijke thema’s: “ Ja, het moet tegenwoordig allemaal maar leuk zijn! Ik doe daar niet aan mee hoor, ik wil op de inhoud zitten.” Hoe reageer je hierop? Mijn eerste reactie is namelijk het luid uit willen roepen dat het NATUURLIJK om de inhoud gaat! Het is de kerntaak van een docent om met inhoud bezig te zijn. Hoe je die inhoud over brengt is ook een belangrijke docenttaak. Vakinhoud (content knowledge) en didactiek (pedagogical knowledge) vormen al sinds jaar en dag (sinds 1986 om precies te zijn) de basis voor het pck model (Shulman, 1986). Het technische aspect is mooi ingepast in een enigszins nieuwere versie van dit model, TPACK genaamd en ontwikkeld door Mishra en Koehler (2006). Niet omdat het tegenwoordig “alleen maar leuk moet zijn” maar omdat goed ingezette techniek bijdraagt aan een betere transfer en beklijving van die absoluut belangrijke inhoud. Overigens, waarom zou leren niet leuk mogen zijn? In een kennissamenleving waar het leven lang leren niet alleen fijn is, maar ook gewoon vereist als je bij wilt blijven en volledig wilt participeren in een snel veranderende professionele omgeving, is het wel prettig dat het leren op een leuke, zo aantrekkelijk en efficiënt mogelijk manier kan plaatsvinden.

Wat fijn is aan dit soort gesprekken binnen de school is dat de dialoog op gang komt. Waar zijn we mee bezig? Waar gaan en willen we naartoe? Wat heb ik nodig om aan te kunnen blijven haken? Wat doe jij en hoe doe jij het? Oftewel, collegiale consultatie in de breedste zin vindt plaats binnen de organisatie. Het is aan de schoolleiding om de signalen op te pikken, gesprekken en verdieping te faciliteren en de visie en richting van de school zo te concretiseren en uit te dragen dat het als een routekaart gebruikt kan worden. Een uitdaging. Maar daar houden we van in het onderwijs, toch?

Happy learning!

Patricia

Symbaloo voor schoolleiders

Onderwijs management

Zoeken naar informatie kost veel tijd. Zeker aangezien je tegenwoordig over heel veel informatie kunt beschikken en het niet altijd even makkelijk te vinden is. Voor school- en afdelingsleiders is het ook fijn om snel, de juiste websites te kunnen raadplegen of om je favoriete websites overzichtelijk bij elkaar te hebben staan. Door Symbaloo te gebruiken kun je erg veel tijd besparen op dit gebied. Symbaloo werkt heel eenvoudig en intuïtief.

Via deze pagina kom je op een van mijn zogenoemde webmixes van Symbaloo. Ik heb hier een aantal zaken bij elkaar gezet die handig zijn bij het leidinggeven aan schoolteams en het houden van overzicht. Je kunt deze mix toevoegen aan je eigen profiel en naar behoefte aanpassen en aanvullen. Ik heb ervoor gekozen om diverse onderwerpen te groeperen op kleur. Zo heb ik in het groen alle links naar toepassingen die me helpen georganiseerd te zijn en te blijven, in het blauw vind je een reeks linkjes naar tools die handig zijn bij studiedagen, korte surveys en andere meetmomenten en/of brainstormsessies, De witte “tegels” leiden naar informatie over wet- en regelgeving (voor het vo), de grijze blokken hebben te maken met docentprofessionalisering en dan met name met initiatieven  op het gebied van informeel leren, de zwarte blokken leiden je naar financiële info, de rode tegels hebben te maken met trainingen en modellen voor innovatieve ICT binnen het (voornamelijk) primaire proces, oranje brengt je naar informatie en hands-on kennis over opbrengstgericht werken, turquoise tegels hebben te maken met docentevaluatie en lesbezoek en tot slot brengen de paarse blokken je naar meer kennis en info over passend onderwijs. Er zijn uiteraard nog veel meer onderwerpen de moeite waard en noodzakelijk voor een schoolleider, maar dit is een mogelijkheid van een webmix. Heb je andere portefeuilles, dan gebruik je andere combinaties en links. Mijn suggestie is om eens te kijken of dit voor je werkt, toe te voegen, te vervangen en de pagina eigen te maken. Symbaloo heeft mij door de jaren heen geholpen om me meer georganiseerd te voelen, zowel als docent als clustermanager. Misschien een leuk klusje voor de kerstvakantie?

Fijne feestdagen,

Patricia

6 valkuilen in een ICT-beleidsplan (door Michel van Ast)

Techniek en onderwijs

Bezig met een ICT-beleidsplan binnen je school? Lees deze gastblog post van Michel van Ast en voorkom in ieder geval deze valkuilen!

Michel van Ast is als senior trainer / adviseur vooral actief op het thema ‘onderwijs en ICT’. Hij geeft lezingen en workshops, adviseert en begeleidt onderwijsinstellingen en traint en coacht docenten die technologie willen inzetten in hun eigen klas. Daarnaast schrijft hij regelmatig voor diverse onderwijsbladen en -blogs.

6 valkuilen in een ICT-beleidsplan

Ik krijg veel ICT-beleidsplannen van scholen onder ogen. Beleidsplannen met daarin uitgangspunten, argumenten en voornemens om voor (meer) ICT te kiezen. De kwaliteit van die beleidsplannen wisselt enorm, evenals de mate waarin ze gedragen worden door anderen dan de schoolleiding alleen. Maar wat mij met name opvalt is de overeenkomst in die uitgangspunten, argumenten en voornemens. En dat is goed, want dat betekent mogelijk dat veel scholen in Nederland op dezelfde manier kijken naar de inzet van ICT in hun onderwijs. Ik wil hier echter 6 veel terugkerende uitgangspunten noemen, omdat ik denk dat die gebaseerd zijn op misvattingen.

  1. Streven naar meer digitalisering

Ik struikel over het woord digitalisering, ik kom dat zo vaak tegen in plannen. In sommige gevallen wordt het uitgewerkt, maar in de meeste gevallen wordt het begrip te pas en te onpas gebruikt alsof iedereen dan onmiddellijk exact hetzelfde beeld in zijn of haar hoofd heeft. Vergelijk het met het woord ‘hond’. Als ik ‘hond’ zeg denkt de een aan een Teckel, terwijl de ander een Deense Dog voor zich ziet. Definieer daarom in je ICT-beleidsplan heel duidelijk wat je precies verstaat onder ‘digitalisering’.

  1. 50% van ons onderwijs moet digitaal

Dit uitgangspunt kom ik in meerdere vormen tegen. In sommige gevallen staat er expliciet iets bij over leermiddelen, in sommige gevallen wordt het afgemeten aan het aantal lessen of de tijdsduur per les. Maar het is in alle gevallen een eigenaardig uitgangspunt, omdat het al dan niet digitaal zijn van een les of leermiddel in de eerste plaats niets zegt over de kwaliteit ervan en in de tweede plaats niets zegt over of de vorm past bij de onderwijskundige visie van de school. Laat staan dat de hoeveelheid daar iets over zegt.

  1. Aansluiten bij de belevingswereld van de leerling

In vrijwel geen enkel ICT-beleidsplan ontbreekt dit uitgangspunt. Hier spreekt de wens uit om de leerling centraal te stellen. Maar als je bedenkt dat de belevingswereld van de leerling wat betreft ICT een heel andere is dan datgene wat veel scholen voor ogen hebben met ICT, dan zie je onmiddellijk dat je daar in veel gevallen niet aan kunt voldoen. Om het wat concreter te maken, ik was onlangs op een school die dat ook in hun ICT-beleidsplan hadden staan. Maar op vrijwel iedere deur in het gebouw hing een bordje met ‘mobiele telefoons in de school verboden’. Dat kunt je doen, mobiele telefoons in school verbieden, maar dan moet je niet als uitgangspunt opschrijven dat je met ICT wilt aansluiten bij de belevingswereld van je leerling.

  1. ICT om beter te kunnen differentiëren

Differentiëren, omgaan met verschillen, recht doen aan verschillen of hoe je het ook wilt noemen, het is een onderwerp dat veel mensen bezig houdt en dat ik veelvuldig teruglees in beleidsplannen. Ik denk dat het goed is om je af te vragen als school hoe je je onderwijs kunt inrichten, zodanig dat het recht doet aan alle verschillen van leerlingen. Maar je moet niet de illusie hebben dat je met behulp van ICT beter kunt differentiëren. Het begint namelijk met kunnen differentiëren, de stap daarna is ICT inzetten om een aantal dingen gemakkelijker te maken. Maar als je als docent niet in staat bent om te differentiëren, of je bent als school daar niet op ingericht, dan moet je niet verwachten dat ICT daar ook maar iets in gaat veranderen.

  1. ICT erin, boeken eruit

Ik begrijp dat wel, want je kunt je geld maar een keer uitgeven. De consequenties van die keuze, alle leermiddelen digitaal, zijn echter niet gering. Om te beginnen neemt de ‘screentime’, de tijd dat leerlingen achter een scherm zitten, enorm toe. Wil je dat? Bovendien, uit steeds meer onderzoeken blijkt dat het maken van aantekeningen met pen en papier leidt tot betere resultaten, zeker op conceptueel niveau, dan het maken van aantekeningen op een computer. En niet in de laatste plaats is het niet meteen heel handig om en je werkboek en je informatieboek en je online bronnen op een (klein) scherm te hebben.

  1. Gepersonaliseerd leren

Dit is al bijna net zo’n containerbegrip als ‘digitalisering’. En ook hier geldt dat ik niets heb tegen het begrip an sich en tegen de wens die erachter schuilgaat om beter aan te sluiten bij de individuele leerbehoefte van leerlingen, maar wel tegen de verwachtingen die erbij horen en de invulling die vaak wordt gekozen. Om te beginnen: al het leren is individueel. En dus gepersonaliseerd. Om de eenvoudige reden dat iedereen andere voorkennis, voorkeuren, talenten, etc. heeft. Maar zodra je gepersonaliseerd vertaalt naar digitale, interactieve en zogenaamd adaptieve leermiddelen zie je de computer als een apparaat om niets meer te doen dan leerstof bij leerling brengen. Daarmee verwar je leren met het aanbieden van leerstof volgens een computeralgoritme. Daarmee laat je de kracht van ICT, de kracht van laptops en tablets als leergereedschap volledig buiten beschouwing.

Michel van Ast
06 – 460 76 141

info@michelvanast.nl

@mvanast

LinkedIn

Ik ga op studiereis en ik neem mee….

Onderwijs en leiderschap

De tijd dat een docent met enige organisatorische kwaliteiten en een lange adem op de stoel van “het hoofd” ging zitten is voorbij. Schoolleider is een heus vak tegenwoordig en een duidelijke keuze. Je moet kennis hebben van de Wet op onderwijs, oog hebben voor zowel docenten, ouders, leerlingen en allerlei overige deelnemers van binnen en buiten de organisatie, je moet een visie hebben en deze ook nog eens concreet kunnen maken en uitdragen, je moet leiderschapskwaliteiten bezitten en altijd bereid zijn om door feedback en reflectie te leren en te verbeteren. Geen wonder dat professionaliseren van schoolleiders een hot item is.

Er wordt veel gesproken over professionalisering van docenten, zowel door docenten zelf, hun werkgevers, als door het politieke veld. Dat is ook goed, zeker nu de onderwijsvraag zo ingrijpend en zo snel verandert. Wat misschien minder gehoord wordt is de gesprekken over professionalisering van schoolleiders, terwijl die echt wel gevoerd worden. En wat ook erg noodzakelijk is. Het schoolleidersregister is niet minder belangrijk dan het lerarenregister en zonder in te gaan op of deze registers nu een goed idee zijn of niet, verplicht moeten zijn of niet of hoe ze precies ingericht en beheert moeten worden, het blijft een aantrekkelijk idee om al je scholing, zowel formeel als informeel, ergens te kunnen registreren.

Er zijn diverse activiteiten mogelijk om je te ontwikkelen. De een heeft voorkeur voor (doorgaans) langere trajecten en formeel onderwijs, zoals een Master Schoolleiderschap of een Master SEN, de ander heeft meer aan informele leerkansen door deelname aan Edcamps, intervisiebijeenkomsten of workshops binnen verenigingen als The Crowd. Een combinatie kan natuurlijk ook. Wat je ook doet om jezelf te blijven ontwikkelen maakt niet uit, zolang je zelf het gevoel hebt dat je activiteiten bijdragen aan je (persoonlijke) ontwikkeling.

Edutrainers van de Tumult Groep ontwikkelde samen met Dick de Groot een mooie combinatie van formeel en informeel leren voor schoolleiders. Door gebruik van literatuur, intervisie tussen gelijkgestemden en bijeenkomsten op inspirerende locaties krijg je als schoolleider handvatten om de schoolvisie nog concreter te maken of aan te scherpen en om deze helder uit te dragen. Het gebruik van ICT heeft ook een belangrijke plaats in deze sessies.  Heb je zin in een school(leiders)reisje waarin interessante ontmoetingen, formeel en informeel leren samenkomen? Kijk dan eens hier. Een factsheet vind je hier.

Happy learning!

Patricia

Het Efficacy Framework van Pearson: Maak je onderwijs echt beter.

Onderwijs en leiderschap

FullSizeRender

Vorige week donderdag was ik samen met het TeachPitch team te gast bij Pearson in London voor een efficacy workshop. Onze gastheer en workshop leider, Kelwyn Looi, nam ons mee naar een mooie ruimte waar we rustig zouden kunnen werken. Naast het feit dat het uitzicht STUNNING was, vond ik ook de workshop echt de moeite waard.

Efficacy, dat zich laat vertalen door doeltreffendheid of effectiviteit, is volgens Pearson de  manier om het onderwijs te veranderen. Belangrijk is dat de aandacht wordt verplaatst van de input naar de output. Oftewel: alles moet gericht zijn op de uitkomsten van het leerproces. Wat heeft een leerling echt geleerd? Hoe heeft het geleerde zijn of haar leven positief veranderd? Om te leren je product door deze bril te bekijken, heeft Pearson het Efficacy Framework ontwikkeld. Het kan worden ingezet om te bekijken of jouw product of materiaal ook werkelijk datgene doet wat jij zou willen of wat jij verwacht dat het doet. Je kunt dit model gebruiken als uitgever, als bedrijf in de onderwijsmarkt, maar zeker ook als docent of als schoolleider.

Het framework bestaat uit 4 hoofdonderwerpen die weer in 3 sub-onderwerpen zijn verdeeld. Vervolgens ga je met je team, sectie, MT, of welke samenstelling je dan ook hebt, aan de slag door elk onderwerp tegen het licht te houden en  te beoordelen met een kleur. De kleur geeft de prioriteit aan van de acties die je moet nemen. Door je gewenste uitkomsten heel specifiek te maken, werk je doelgericht naar die uitkomsten toe en zie je snel waar je plan bijgesteld moet worden. Deze video legt je in 5 minuten uit wat het is.

IMG_2291

IMG_2292

Ik moest direct denken aan het inmiddels zeer bekende “opbrengst gericht werken”. Daar waar deze term nog wel eens de plank mis slaat, is het idee natuurlijk prima. Immers, je lessen zijn geen bezigheidstherapie, je wilt dat leerlingen echt iets leren. Daarnaast heeft elke school een missie die altijd gericht is op de ontwikkeling van haar leerlingen. Door je visie, je missie, je schoolplan en andere ideeën door de efficacy framework bril te bekijken, zal het makkelijker worden je standpunten te duiden en naar buiten te brengen. Naast ontwikkeling van leerlingen is ontwikkeling van docenten ook een speerpunt voor schoolleiders. Door heel duidelijk te formuleren wat de uitkomst van professionalisering moet zijn, kun je als schoolleiding ook aan de slag met gerichte acties die bijdragen aan het ontwikkelen van een professionele cultuur. Het framework kan je dus helpen bij het daadwerkelijk implementeren van opbrengst gericht werken binnen een (meer) professionele cultuur.

Voor mij komt het bij efficacy neer op het helder krijgen van de juiste acties. Wat moet ik doen om bepaalde gewenste uitkomsten echt te realiseren? Hoe straight forward, to the point en “zakelijk” het framework ook mag lijken, ik zie er idealisme in: ECHT samen voor ECHT beter onderwijs!

Patricia

Hoe maak je professionaliseren in het onderwijs toegankelijk en succesvol?

Onderwijs en leiderschap

Onderwijs is een interessante branche. Nergens hebben werknemers zoveel ruimte om hun eigen ding te doen als in het onderwijs. Als school ben je nog behoorlijk afhankelijk van de bereidheid van een docent als het gaat om inbreng, vernieuwing en verbetering. Iedereen weet: wanneer die deur dicht gaat, is het volledig aan de docent. En dat is goed. Meestal.

Een docent moet heel veel: interessante lessen voorbereiden, werken met veel verschillende groepsdynamieken, volle klassen, administratie, correctiewerk, noem maar op. De laatste jaren worden er aan de docent ook steeds hogere eisen gesteld. Dat is niet makkelijk, maar wel een gegeven. Toch zijn er nog steeds docenten die een toets zonder blikken of blozen al jaren hergebruiken, zonder deze na te lopen. Soms zie je zelfs nog handgeschreven exemplaren voorbij komen. Er zijn docenten die altijd, een heel lesuur aan het woord zijn en die verwachten dat leerlingen luisteren, noteren en leren. Zo niet, dan ligt het aan de leerling, niet aan de (uitgebreide) uitleg, zo vinden zij. Dat klinkt negatief, maar zo is het niet bedoeld. We weten allemaal dat er docenten zijn die niet het beste resultaat leveren en die niet aansluiten bij het 21ste eeuwse kind. Dat wil echter niet zeggen dat zij dat niet zouden willen. Vaak willen docenten, die al jarenlang op een zelfde wijze les geven, best leren, veranderen en meer naar toepassingsgericht onderwijs gaan, maar weten ze simpelweg niet hoe. En als je iets al jarenlang doet, vaak met redelijk resultaat, dan blijf je dat ook vaak doen. Veranderen is eng en dat ziet niet iedereen zitten. Zeker niet als je geen vertrouwen hebt in de begeleiding naar iets anders.

Zoals van docenten verlangd wordt dat zij hun leerlingen begeleiden naar zelfstandige mensen, met vaardigheden die hen een leven vol voorspoed moet brengen, zo mag er van de schoolleiding verlangd worden dat zij haar docententeam begeleidt naar de meeste leerwinst, het beste docentschap en naar veel werkplezier. Hierbij moet zeker zoveel aandacht zijn voor differentiatie als dat er door de inspectie aandacht is voor differentiatie voor leerlingen. Geloof me, dat is niet gering… Maar ook hier geldt: veel schoolleiders willen wel, maar weten niet hoe.

Met al die goede bedoelingen, en die zijn er echt, heb je echter nog geen enkel resultaat. Hoe kunnen wij het onderwijsveld nu zo professionaliseren, dat werken aan verbetering, excellentie en talent-management de normaalste gang van zaken wordt met een heel bekend en toegankelijk plan van aanpak? Is het schoolleider- en lerarenregister een eerste stap? Is er een model te bedenken die recht kan doen aan alle vragen naar professionalisering? Is het nodig om dit centraal te regelen? En vooral: wie bepaalt wat goed is? Is dat de PISA ranglijst? Is dat de inspectie? Zijn dat ouders en leerlingen? Of zijn het de leraren zelf? Meer vragen dan antwoorden op dit moment! Weet jij het?

Patricia